G E S C H I E D E N I S   V A N   H E T   B I E R

Het Oude Egypte
De biercultuur vindt zijn oorsprong in het oude Mesopotamië, het Tweestromenland tussen Eufraat en Trigis. De Sumeriërs, een volk dat ongeveer 5000 jaar geleden in Mesopotamië leefde, kenden het al. Zij waren vermoedelijk de eersten die bier maakten. Het bier en de wijze waarop dit gemaakt werd, is echter niet zoals we dat nu kennen. Men bakte een soort brood van emmer (een soort tarwe), dat van buiten gaar was, maar van binnen nog week. Als men bier wilde maken, weekte men het brood in water, en bracht dit aan het gisten. Aan het bier werd vaak honing of kruiden toegevoegd. Nadat de Babyloniërs het Sumerische rijk hadden over genomen, nam het brouwen toe. Uit kleitabletten van die tijd heeft men kunnen afleiden, dat men reeds verschillende soorten bier kende. Zowel in Babylonië als in Egypte kende men verschillende soorten bier. Om de drank een bepaalde smaak te geven, werden allerlei planten en kruiden toegevoegd. Ook vandaag nog experimenteren brouwers met kruiden.

Het Romeinse Rijk
De Romeinen legden zich toe op de productie van wijn en plantten volop wijngaarden aan. Maar in streken waar de druiven omwille van een minder gunstig klimaat geen kans maakten, ging men graan verbouwen waarvan onder andere bier gebrouwen werd. Bier diende toentertijd om de dorst van de Romeinse legioenen te lessen. Door de Romeinen werd de brouwkunst verder naar het noorden verspreid. De Germanen waren de eerste, die de tussenstap van het broodbakken oversloegen en ontdekten dat uit ontkiemde en gedroogde graankorrels ook bier gebrouwen kon worden. Zij maakten van graan een beslag en lieten dat vergisten. Na de val van het Romeinse Rijk, kreeg de Kerk controle over de landerijen. Geestelijken en monniken gingen zich bezighouden met bier brouwen. Meer nog, tot in de elfde eeuw werd bier brouwen een activiteit die enkel door de clerus mocht worden beoefend. De geestelijken schreven de recepten van hun "geestrijke drank" op perkament. Zoals gezegd was bier brouwen buiten de kloostermuren verboden. Desalniettemin werden hier en daar burgerbrouwerijen opgericht. Toch moeten we nog enkele eeuwen wachten alvorens brouwen gemeengoed wordt van het gewone volk.

De Middeleeuwen
In de veertiende en vijftiende eeuw schoten brouwerijen als paddestoelen uit de grond. Bier werd een populaire volksdrank. Ten tijde van de grote epidemieën van pest en cholera werden aan bier geneeskrachtige eigenschappen toegedicht. Niet helemaal onterecht, want in die periode werd het water voor dagelijks gebruik uit rivieren en grachten gehaald en was het verantwoordelijk voor het verspreiden van de ziektekiemen. Bier was dankzij het kookproces bij het brouwen kiemvrij en bood derhalve een veilig alternatief voor water. Het drinken van bier werd in de Middeleeuwen geenszins als schadelijk ervaren. Integendeel! Binnen de kloostermuren werd volop bier gedronken. In bepaalde kloosters zouden de nonnen meer dan vijf liter bier per dag gedronken hebben of hadden ze althans recht op die hoeveelheid! Het delen van voedsel kwam veel voor in die tijd en verliep langs een soort sociale ladder. Een broeder van geringe komaf kreeg bijvoorbeeld slechts water en tijdens hoogdagen één liter wijn. Van hogere komaf zijn betekende soms alle dagen wijn, enz. De benifianten gaven dan dikwijls de wijn weg in ruil voor andere gunsten. In de Middeleeuwen verenigden de brouwers zich in gilden. In de Lage Landen vormden zij machtige groepen die accijnzen betaalden aan de vorst, met als gevolg dat de vorst ook rekening met hen moest houden. In Luik bijvoorbeeld, werden de accijnzen op het bier gebruikt voor het onderhoud van de stad en ook Leuven had zijn welstand aan de brouwerij te danken. Bier was zeer populair. Er werd veel meer bier gedronken dan tegenwoordig het geval is.

Louis Pasteur (1822-1895)
De Franse Omwenteling (1792-1794) betekende het einde van de kapitaalkrachtige brouwersgilden. Tegelijkertijd werd menig klooster vernield en daarmee ging ook een groot deel van de brouwersactiviteiten binnen de kloostermuren verloren. Aan de economische chaos waarin België verzeilde, werd een eind gemaakt door Napoleon. Nadien konden lokale brouwerijen hun activiteiten langzaam heropstarten. 1880 is een keerpunt in de geschiedenis van het bier. De Franse natuurkundige Louis Pasteur geeft het brouwen van bier een definitieve wending. De smaak van bier wordt bepaald door de gisting: gistcellen zetten de suikers om in alcohol. Deze gisting gebeurde aanvankelijk spontaan, zodat het onmogelijk was om de smaak vooraf te bepalen. De brouwers konden alleen maar hopen dat het eindproduct in de smaak zou vallen. Louis Pasteur ontdekte dat er verschillende soorten gistcellen voorkomen en dat niet alle gisten even geschikt zijn voor een goede gisting en bijgevolg een optimale smaak van het bier. Aldus ging men op zoek naar de meest geschikte gistfamilies voor het brouwproces. Door deze steeds voort te kweken, konden brouwers keer op keer dezelfde gisting en dus bier met dezelfde smaak bereiken. Pasteur ontdekte bovendien dat het mogelijk was dranken te bewaren door ze te verhitten tot 70°C. Bij die temperatuur worden alle aanwezige micro-organismen geïnactiveerd. Deze nieuwe techniek - die wij kennen onder de naam pasteurisatie - maakte het voortaan mogelijk om bier langere tijd te bewaren. Dankzij de kennis van Pasteur gingen de brouwerijen weer volop floreren. Op het einde van de 19de eeuw telde België maar liefst 3.200 brouwerijen. Brouwers boerden goed en genoten aanzien. Vermits gistend bier op een koele plaats moet bewaard worden, werd enkel in de winter gebrouwen. Koelinstallaties bestonden immers nog niet. Op het einde van de 19de eeuw ging men zelfs ijs vanuit Scandinavië importeren dat in speciale ijskelders werd opgeslagen. Na de uitvinding van de koelmachine door Von Linde in 1877 werd deze ijsimport gelukkig overbodig.

De Twintigste Eeuw
De bloeiende brouwerijnijverheid moest een tweede harde slag verduren tijdens de Eerste Wereldoorlog. Bij gebrek aan personeel en grondstoffen moest de helft van de brouwerijen sluiten. Na de oorlog werden een aantal brouwerijen heropgestart en gemechaniseerd. De brouwerijen kregen een nieuwe klap te verwerken tijdens de oorlog van '40 - '45. Opnieuw werden grondstoffen schaars, maar dit keer werd beroep gedaan op 'ersatz' grondstoffen, weliswaar van mindere kwaliteit. Niet alleen het bier zelf, ook de flessen stelden problemen. Er konden geen kroonkurken meer vervaardigd worden, en men kwam op de idee beugelflessen te fabriceren. De afsluitrubbers voor deze flessen konden vervaardigd worden uit versleten autobanden. Toen ook in deze materialen tekorten opdoken, werd het verplichte statiegeld ingevoerd. Daardoor konden de bierflessen voortaan gerecupereerd en hergebruikt worden.

 ↑ Top

H E T   B R O U W P R O C E S

Inleiding
Het romantische gebruik van grote koperen ketels is (helaas) een achterhaald beeld in de meeste brouwerijen. Roestvrij staal bepaald nu veel eerder het beeld. Tegenwoordig heeft men dan ook meer de indruk dat bier gemaakt wordt in plaats van gebrouwen. De grondprocessen van vroeger en nu zijn evenwel hetzelfde gebleven. Men zet zetmeel om in suikers en laat deze vergisten, zodat een mengsel ontstaat van suikers, water, alcohol en koolzuur.

1 - Mouten
De bereiding van gerstemout, ook wel het mouten genoemd. Na het oogsten is de gerst nog niet direct geschikt voor bewerking. Het zetmeel is namelijk nog niet oplosbaar in water. Achtereenvolgens vinden de volgende bewerkingen plaats

Weken
De harde gerstekorrels worden geweekt in water. Door het weken neemt het watergehalte van de gerst toe van ongeveer 14% naar 45%. Hiervoor zijn twee tot drie dagen nodig.

Kiemen
In kiemkasten beginnen de geweekte korrels te kiemen. Door het vocht zwellen de korrels op. Tijdens het kiemproces worden stoffen gevormd, enzymen genaamd, die onder meer in staat zijn onoplosbaar zetmeel in de gerstekorrel om te zetten in oplosbaar moutsuiker. De onoplosbare eiwitten worden door enzymen omgezet in oplosbare afbraakproducten van eiwitten. Het kiemplantje gebruikt de oplosbare suikers en eiwitten als voedsel. Na enkele dagen ontstaat aan de korrel een wortelkiempje. Aan de lengte ervan kan de brouwer zien of het proces ver genoeg gevorderd is. Laat men het te lang doorgaan dan worden teveel suikers verbruikt, stopt men te vroeg dan is de omzetting van zetmeel in moutsuikers niet voldoende. Het kiemproces duurt ongeveer 7 dagen. Het ontstaande product noemt men groenmout.

Eesten (drogen)
Het stoppen van het kiemproces gebeurt door de groenmout te drogen. Dit noemt men eesten. Op een metalen vloer voorzien van gaatjes ligt de groenmout. Vervolgens blaast men lucht door deze gaatjes, waardoor het watergehalte van 45% wordt teruggebracht tot ongeveer 4%. Dit proces duurt tegenwoordig ongeveer 18 uur. De temperatuur tijdens het eesten bepaald later de kleur van het bier en is ook van belang voor de smaak. Voor lichtgekleurde bieren voert men de temperatuur niet hoger op dan 80-90 graden Celsius. Voor donker bier zoals oud bruin en bokbier is dat ongeveer 105 graden. Na het eesten worden de wortelkiempjes verwijderd en wordt de groenmout opgeslagen in silo’s.

2 - Bereiding van het wort
Dit wordt ook wel het brouwen genoemd, en het gebeurt in het brouwhuis. Hier vinden de volgende bewerkingen plaats

Schroten
Niet de hele moutkorrel is geschikt voor gebruik. Daarom is het van belang om eerst te schroten, ofwel "het kaf van de koren te scheiden". Het gerstemout wordt in de schrootmolen geplet. De geplette mout heet schroot. Het schroot bestaat uit het kaf, het gries en het meel. Door schroot met warm water te mengen ontstaat er beslag.
De hoeveelheid schroot (de storting) is afhankelijk van het gewenste biertype en het stamwortgehalte. Hoe hoger het extractgehalte, hoe meer alcohol het uiteindelijke bier zal bevatten. Voor lichtgekleurd bier is dun beslag nodig, voor donker bier juist dik beslag.

Maischen
De geplette mout wordt met brouwwater in de beslagkuip tot een beslag geroerd. Het maken van zo een beslag heet inmaischen. Onder maischen wordt verstaan het op bepaalde temperaturen brengen en houden van het beslag. Bij bepaalde temperaturen zijn namelijk de al eerder genoemde enzymen actief. De enzymen die onoplosbare eiwitten omzetten in oplosbare bij 45 tot 55 graden. De enzymen die zetmeel omzetten in moutsuikers bij 62 tot 80 graden. Door bepaalde temperaturen te kiezen en door langere of kortere rusttijden bij die temperaturen aan te houden krijgt de brouwer door de omzetting van zetmeel meer of minder vergistbare of onvergistbare suikers.

Klaren
De maisch bestaat uit een mengsel van onopgeloste stoffen (draf of bostel) en opgeloste stoffen (wort). Het scheiden van deze stoffen heet klaren. Het warme beslag wordt naar de klaringskuip gepompt. Dit is een ketel met een metalen zeefbodem waardoor het vloeibare deel van het beslag naar de wortketel loopt. Deze suikerhoudende vloeistof is het wort. Het vaste bestanddeel dat achter blijft noemt men bostel en wordt gebruikt als veevoeder.

Wort koken
Dit gebeurt in koperen of roestvrijstalen ketels die door stoom worden verhit. Afhankelijk van het type bier duurt het koken 1 tot soms 2.5 uur. Tijdens het koken voegt men de benodigde hop toe. Door het koken wordt onder meer de bitterstoffen uit de hop opgelost, waardoor later de bittere smaak aan het bier wordt gegeven, een gedeelte van de nog aanwezige eiwitten onoplosbaar gemaakt. Ze worden na het koelen verwijderd. Alle micro organismen worden gedood. Na het koken wordt het stamwortgehalte bepaald. Dit is de maat voor de concentratie van suikerhoudende stoffen in het wort. Hoe meer water er verdampt, des te hoger het stamwortgehalte.

Wort koelen
Het wort passeert de wortkoeler waar het wordt afgekoeld tot 6 - 8 graden. De nog aanwezige onoplosbaar gemaakte eiwitten en eventuele hopresten worden verwijderd. Dit is belangrijk omdat eiwitten het bier troebel of blind maken.

3 - Vergisting
De wijze van vergisting is hét geheim van de brouwerij het bepaalt de smaak en biersoort. Vergisting bestaat uit hoofdgisting en nagisting. De hoofdgisting zet door stijgende temperatuur moutsuiker om in alcohol en koolzuur. Tijdens de nagisting rijpt het bier. Bij bierbereiding is er sprake van twee soorten cultuurgisten boven- en ondergist. Bovengist drijft tijdens het gisten als een dikke koek boven op de vloeistof. Ondergist zakt daarentegen naar de bodem. Temperatuurbeheersing speelt hierbij een belangrijke rol. De temperatuur bij een ondergistend bier mag niet hoger komen dan 8 à 9°C. Bij een bovengistend bier mag de temperatuur oplopen tot maximaal 20°C. Daarboven zal de gist afsterven.

4 - Afvullen
De laatste fase is het afvullen op fles, blik of fust. Na de bottellijn wordt de fles in de vulcarrousel met een snelvaart van circa honderdduizend flessen per uur achtereenvolgens onder druk gebracht met koolzuurgas, gevuld met bier, afgesloten met een kroonkurk of beugelsluiting en daarna voorzien van etiketten. Door het bier ten slotte te pasteuriseren (kort verhitten tot circa 60°C) blijft het bier langer houdbaar.

Het Brouwproces

 ↑ Top

D E   G E S C H I E D E N I S   V A N   D E   J E N E V E R

Over de uitvinding van jenever doen verschillende verhalen de ronde, maar duidelijk is dat de Nederlandse jenever rond 1600 het licht zag. De jenever van toen leek niet erg veel op de jonge borrel van tegenwoordig. Jenevers werden namelijk van moutwijn gemaakt. Moutwijn wordt omschreven als een distillaat, gestookt uit granen met een sterk graanaroma. Omdat de smaak niet altijd even aangenaam was, werden er kruiden toegevoegd. Jeneverbes bleek een schot in de roos. Jenever ontleent zijn naam dus aan de jeneverbes, in het Latijn juniperus, ofwel verjongend. Rond 1900 begon hier verandering in te komen door de opkomst van een nieuwe soort alcohol: de zuivere melassealcohol uit suikerbieten. Deze alcohol was niet alleen goedkoper dan de graandistillaten, ook begon de consument de neutrale smaak van deze alcohol te waarderen. De distillateur betrok, naast moutwijn, ook de neutrale melassealcohol. Langzaam maar zeker verdrong een nieuwe borrel met een neutralere smaak de traditionele borrel met de meer aromatische moutwijnsmaak.

Rond 1940 werd besloten om de jenever nieuwe stijl ‘jonge jenever’ te gaan noemen. De jenever oude stijl kreeg de naam ‘oude jenever’. De term ‘oud’ zegt dus niets over de leeftijd van het product zelf, maar over de leeftijd van het recept. Korenwijn is een product dat, meer nog dan oude jenever, herinnert aan de tijden van weleer. Heel vroeger, voordat de naam jenever bestond, werd van korenwijn of korenbrandewijn gesproken. Brandewijn, een distillaat verkregen door het branden van wijn.

Jenever
De alcohol moet van landbouwproducten afkomstig zijn, dit mag graan zijn maar ook suikerbieten of een andere grondstof. Het moet jeneverbes bevatten en een minimaal alcoholpercentage van 35% hebben.

Graanjenever
Als het woord ‘graanjenever’ op het etiket staat moet de alcohol voor 100% uit graan verkregen zijn. Daarnaast mag de kleurstof karamel gebruikt worden. Meer moutwijn is een meer uitgesproken smaak. Meer graanalcohol is een meer neutralere smaak.

Jonge jenever
Bestaat ongeveer sinds 1940, toen het merendeel van de jeneverdrinkers overstapte op een borrel met een meer neutrale smaak. Doordat er een maximum is gesteld aan het percentage moutwijn (15%) zal de smaak neutraal blijven. Het kan dus ook goed zijn dat er helemaal geen moutwijn gebruikt word. Verder kan het graanalcohol bevatten, maar ook melasse-alcohol. Jonge graanjenever bevat alleen graanalcohol.

Oude jenever
Is jenever volgens het oude recept. Het is jenever met een meer uitgesproken smaak, die herinnert aan de tijd dat er nog geen neutrale alcohol gemaakt kon worden. Doordat er een minimum is gesteld aan het percentage moutwijn (15%) heeft de jenever nog steeds een moutwijn karakter. Verder moet de jeneverbessmaak waarneembaar zijn en mag de kleurstof karamel gebruikt worden. Het product mag gerijpt worden op eikenhout. Als men gebruik maakt van houtrijping, dan moet dit op het etiket staan. Verder moet het minimaal 1 jaar rijpen en de rijpingsduur moet op het etiket vermeld worden. Naast moutwijn bevat oude jenever ook neutrale alcohol; dit kan graanalcohol of melasse-alcohol zijn. Oude graanjenever bevat alleen graanalcohol.

Korenwijn
Is een jeneverachtig product, dat warenwettelijk gezien, onder een aparte categorie valt. Door het hoge percentage moutwijn (min. 51%) heeft korenwijn een aromatische graansmaak. De kleurstof karamel mag gebruikt worden en het product mag gerijpt worden op eikenhout. Als men gebruik maakt van houtrijping, dan moet dit op het etiket staan. Verder moet het minimaal 1 jaar rijpen en de rijpingsduur moet op het etiket vermeld worden.

 ↑ Top

D E   G E S C H I E D E N I S   V A N   H E T   B I L J A R T S P E L

Het biljartspel kent een lange en rijke geschiedenis. Het spel werd gespeeld door koningen en burgerlui, presidenten, zwakbegaafde, dames, heren, en oplichters evenwel. Het spel is ontstaan in Noord Europa, waarschijnlijk Frankrijk, in de 15e eeuw en werd aanvankelijk als een veldsport gespeeld. Het biljartspel verhuisde naar binnen op een houten tafel, welke bekleed was met een groen kleed. Dit om het gras na te bootsen. Rondom de tafel werd een simpele lat bevestigd. De ballen werden geschoven, in plaats van gestoten, met een houten stok. De term biljart is waarschijnlijk afkomstig uit het Frans en is waarschijnlijk samengesteld uit de woorden "bille" van bal en "art" van kunst. Ook de Engelsen claimen het ontstaan van het spel maar daar wordt (buiten Engeland) weinig geloof aan gehecht.

Het spel werd origineel gespeeld met twee ballen op een tafel met 6 gaten (pockets) met een poortje en een recht op geplaatst blokje (de koning) welke als doel fungeerde. In de 18e eeuw verdwenen de poortjes en de koning geleidelijk uit het spel, en bleven enkel de ballen en gaten nog over. De meeste informatie over het vroegere biljartspel is afkomstig uit "wedstrijd"-verslagen door spelers van adellijke afkomst. Maar het is overduidelijk dat het spel van begin af aan ook door de gewone burger werd gespeeld. In 1600 was biljarten bekend genoeg om genoemd te worden in Shakespeare's "Anthony and Cleopatra". 75 Jaar later verscheen het eerste boek met biljartspelregels, waarin melding werd gemaakt van het feit dat er maar weinig plaatsen in Engeland waren waar geen biljarttafel stond, welke toegankelijk was voor het publiek.

De keu werd ontwikkeld aan het einde van de 17e eeuw. Als een bal (te) dicht bij de rand kwam te liggen, was het zeer moeilijk om met wat toen de voorkant was (een lepelvorm) te schuiven. In zo'n geval werd de stok omgedraaid en werd er met het dunne achtereinde (de cueue wat zoveel als staart betekent) gestoten. Dit gebruik was lange tijd alleen aan de mannelijke spelers voorbehouden, aangezien men bang was dat de dames met het scherpe(re) uiteinde van de cue waarschijnlijk het laken zouden openrijten. Tafels hadden in het begin platte verticale randen om er voor te zorgen dat de ballen niet van de tafel zouden rollen. Al gauw ontdekten spelers dat de ballen door de randen weerkaatst konden worden en men begon er zelfs gericht op te spelen en ziedaar; het ontstaan van "bandstoten".

Na 1800 werd in Engeland het materiaal meer en meer verbeterd, mede dankzij natuurlijk door de industriële revolutie. Krijt werd geïntroduceerd om de wrijving tussen de bal en keu te vergroten, zelfs al voordat de eerste keu (in 1823) met een leertje (de pomerans) werd uitgerust, waarmee de speler een bal van zijeffect kon voorzien. In 1829 kwamen de eerste tweedelige keu's op de markt. Rond 1835 werd leisteen populair als ondergrond. Nadat de industrie het in 1839 voor elkaar kreeg om rubber te vulkaniseren, werden in 1845 de eerste rubberen banden voor de biljarttafel geïntroduceerd. Rond het jaar 1850 was de biljarttafel zover doorontwikkeld en verworden tot de vorm die we nu nog steeds gebruiken. Het van ± 1770 tot 1920 meest gespeelde spel in Engeland was English Billiards, en werd met 3 ballen en 6 gaten (pockets) gespeeld op een lange rechthoekige tafel. De 2 op 1 verhouding tussen lengte en breedte werd standaard in de 18e eeuw. Daarvoor was de tafel aan geen afmeting gebonden.

 De uitvinder van de pomerans

23 December 1997 was het 150 jaar geleden dat François Mingaud overleed. De Fransman, geboren op 4 januari 1771, in het Zuid-Franse Le Cailar, in de buurt van Nimes, wordt in het algemeen aangezien als de uitvinder van de pomerans, het onontbeerlijke stukje leder aan het uiteinde van de keu. Door zijn vinding werd het mogelijk effect te geven waardoor doorschiet, trek en kopstoten konden worden gemaakt. Een nieuw tijdperk opende zich voor de biljartende wereld. Daarvoor diende men met de keu de speelbal zoveel mogelijk in het midden te raken om afglijden van de bal te voorkomen. Mingaud heeft het laatste kwart van zijn leven in Rotterdam gewoond, waar hij op 64-jarige leeftijd voor een tweede maal trouwde. De Fransman woonde in de Hoogstraat in de havenstad. Het betreffende pand is echter in de Tweede Wereldoorlog weggebombardeerd. Op 23 december 1847 kwam er een einde aan het leven van deze belangrijke biljartpionier. Vijf dagen later werd hij begraven op de Crooswijkse begraafplaats in Rotterdam. François Mingaud schreef in 1827 een boek met de titel: "Noble jeu de Billard", wat drie jaar later in de Engelse taal verscheen. Het boek geldt als een van de kostbaarste exemplaren die kunnen voorkomen in een biljartcollectie. In het buitenland heeft men blijkbaar grote moeite met de correcte spelling van de naam Mingaud. In diverse boeken en tijdschriften in allerlei talen die we de afgelopen jaren onder ogen kregen treffen we liefst tien voorbeelden aan waarmee de uitvinder van de pomerans wordt bedoeld: Mangaud, Mengand, Mengaud, Migaud, Mignaut, Mingo, Mingot, Minguad, Wingaud en uiteraard de juiste spelwijze: Mingaud. Als leuk detail kan over kapitein Mingaud (hij was een van Napoleons officieren) worden gemeld dat hij in de Bastille zat opgesloten als politiek gevangene. Hij moet wel een grote cel gehad hebben want op een of andere manier kreeg hij er een biljarttafel geplaatst. De kapitein was zo bezeten van het biljart dat hij, toen hij zijn straf uitgezeten had, toestemming vroeg om langer in de gevangenis te blijven om zo zijn spel te kunnen perfectioneren.

 ↑ Top

D E   G E S C H I E D E N I S  V A N   H E T   D A R T S P E L

Darten is uitgegroeid van een tijdverdrijf voor soldaten tijdens lange veldtochten tot een internationale sport die ook op de televisie miljoenen kijkers trekt. Het spel is ontstaan in de middeleeuwen in Engeland. De stap van boogschieten naar een vorm van pijltjes gooien zonder gebruik te maken van een boog, werd gemaakt vanwege het gemak om ermee in kleine ruimtes te kunnen oefenen. Op de Mayflower die in 1620 naar de nieuw wereld zeilde, Amerika dus, werd ook al een primitief dartspel gespeeld. Maar het moderne darten stamt eigenlijk uit de 19e eeuw. Het spel was toen alleen voor de arbeidersklasse. Omdat tijdens de industriële revolutie het aantal (fabriek) arbeiders sterk steeg, steeg ook de populariteit van het dartspel dat werd gespeeld in de plaatselijke pub, want daar kwam de arbeidersklasse. De in 1924 opgerichte organisatie, National Darts Assosiation, omschreef het spel als: "The working man’s sport; it is cheap, clean and skilfull".

In 1896 is men definitief gekomen tot de nummering op het dartbord toen de timmerman Barry Gamlin het huidige systeem produceerde.

In 1908 hebben een aantal wijze mannen in Leeds een test gedaan om uit te maken of het spel gebaseerd was op behendigheid dan wel geluk. Geconcludeerd werd dat het inderdaad ging om een behendigheidsspel. Nu was men in die tijd wel vaker met vreemde dingen bezig, maar dit deed men om uit te maken of het dartspel gespeeld mocht worden in een gelicentieerde lokaliteit, een kroeg dus, hetgeen alleen was toegelaten als het ging om een behendigheidsspel.

Omstreeks het begin van de 20e eeuw is een belangrijke Engels-Amerikaanse uitvinding/verbetering gedaan voor de darts zelf: ‘barrels’ en ‘paper flights’. De technische experts namen de boel over. De voorheen nog houten darts kregen een metalen ‘barrel’ waar men een aluminium ‘shaft’op kon schroeven, waar je weer een papieren ‘flight’op kon steken.

De twee wereldoorlogen hebben de ontwikkeling van het dartspel nog eens flink laten toenemen vanwege de populariteit bij de soldaten gedurende hun vrije tijd.

In 1928 werd voor het eerst een nationaal toernooi georganiseerd, gesponsord door een zondagskrant uit Londen; ‘The News of the World’ (tevens de naam van het toernooi), dat ook nu nog steeds gespeeld wordt.

Het oorspronkelijke vrije tijds spelletje darts is nu razend populair. Er zijn tegenwoordig tientallen professionele dart spelers, die hun brood verdienen met darten. Voor de meerderheid van de miljoenen liefhebbers betekent het echter niet meer dan een leuk spel, een recreatieve bezigheid, veelal nog steeds in een café gespeeld.

↑ Top